Wie door het Scheldekwartier in Vlissingen loopt, bevindt zich op historische grond. Hier werd meer dan een eeuw lang gebouwd aan schepen die vanuit Vlissingen de wereldzeeën bevoeren. De geschiedenis van de beroemde scheepswerf Koninklijke Maatschappij De Schelde begon echter niet met een imposant passagiersschip of een groot marineschip, maar met een houten vissloep: De Zeeuw.
Het verhaal begint in 1876. Vlissingen beschikte dankzij de aanleg van het kanaal en de spoorweg over een gunstig gelegen haven en goede verbindingen met buitenlandse markten. Dat bracht Vlissingse ondernemers op het idee om ook vanuit de stad actief te worden in de zeevisserij. In februari 1876 schreef de Vlissingsche Courant al over de kansen die deze bedrijfstak voor Vlissingen bood. Niet veel later werd de Vlissingsche Zeevisscherij Maatschappij opgericht, met de Vlissingse koopman F. Wibaut als directeur.
Voor de nieuwe rederij moest uiteraard ook een schip worden gebouwd. Daarvoor werd een beroep gedaan op een eveneens jonge Vlissingse onderneming: N.V. Maatschappij De Schelde, opgericht op 8 oktober 1875 en gevestigd op het terrein van de voormalige Marinewerf.
Op 18 mei 1876 werd daar de kiel gelegd van De Zeeuw. Het werd een houten vissloep van 22,65 meter lang en 5,80 meter breed, ingericht voor de zeevisserij en getuigd met anderhalve mast. Op 29 oktober 1876 gleed het schip voor het eerst het Vlissingse water in.
Daarmee werd geschiedenis geschreven. Na een ponton dat de werf voor eigen gebruik had gebouwd, was De Zeeuw het eerste echte vaartuig dat bij De Schelde werd vervaardigd. Het schip kreeg dan ook het veelzeggende bouwnummer 1.
Niemand kon op dat moment vermoeden wat er op dat eerste bouwnummer zou volgen. De Schelde zou uitgroeien tot een van de bekendste scheepswerven van Nederland en gedurende vele generaties onlosmakelijk verbonden raken met Vlissingen. Juist daarom neemt de bescheiden houten vissloep een bijzondere plaats in binnen de maritieme geschiedenis van de stad.
Aan het einde van 1876 begon De Zeeuw daadwerkelijk aan haar bestaan als vissersschip. Schipper Dirk Meijboom verhuisde met zijn gezin vanuit Middelharnis naar Vlissingen om het commando over de sloep op zich te nemen.
De eerste jaren verliepen bepaald niet zonder problemen. Ruw weer zorgde voor tegenvallende vangsten, er waren moeilijkheden om voldoende bemanning te vinden en in het voorjaar van 1877 werd zelfs een deel van het viswant door Engelse vissers meegenomen. Ook tot ongenoegen van de Vlissingers werd de gevangen vis regelmatig in andere havens, waaronder Antwerpen, verkocht.
Het vinden en behouden van een geschikte bemanning bleek uiteindelijk een van de grootste uitdagingen. Daarom werd eind 1878 besloten De Zeeuw vanuit Middelharnis te laten varen, waar een ervaren vissersgemeenschap aanwezig was. Dat had een positief effect op de bemanning en de dagelijkse bedrijfsvoering, maar financieel bleef de exploitatie van het schip moeizaam.
In 1880 maakte De Zeeuw nog een lange zomerreis. De sloep keerde pas in augustus terug, op een moment dat de marktprijzen voor de gevangen vis ongunstig waren. Opnieuw werd verlies geleden en de aandeelhouders waren niet langer bereid geld beschikbaar te stellen voor een volgende reis.
Daarmee kwam het Vlissingse hoofdstuk van De Zeeuw ten einde.
In november 1880 werd besloten de sloep te verkopen. Voor 10.026 gulden kwam het schip in handen van de Antwerpse firma Jos & L. Crabeels. Een bedrag dat nog geen helft van de oorspronkelijke kostprijs vertegenwoordigde. Voor de aandeelhouders van de Vlissingsche Zeevisscherij was het avontuur daarmee financieel weinig succesvol geweest.
De nieuwe Belgische eigenaar gaf het schip een andere naam: Leopold I.
Lang zou het schip die naam niet dragen. Op 8 april 1882 verging de voormalige De Zeeuw op de Banjaard. Gelukkig konden alle elf opvarenden worden gered.
Het bestaan van De Zeeuw was dus relatief kort en haar loopbaan als vissersschip bepaald niet altijd succesvol. Toch is haar historische betekenis veel groter dan haar commerciële resultaten doen vermoeden.
Met De Zeeuw begon namelijk iets wat Vlissingen generaties lang zou bepalen.
Zij was bouwnummer 1 van De Schelde.
Na haar zouden op de Vlissingse werf honderden schepen volgen. De werf groeide uit tot een onderneming van internationale betekenis en werd voor talloze Vlissingse families een plaats van werk, vakmanschap en trots. Het voormalige werfterrein vormt tegenwoordig het Scheldekwartier, waar de geschiedenis nog altijd zichtbaar en voelbaar aanwezig is.
Precies op die plek wordt nu een nieuw hoofdstuk aan het verhaal toegevoegd.
Als onderdeel van het nieuwbouwproject De Koperslagerij in het Scheldekwartier draagt het appartementencomplex De Zeeuw 1876 de naam van die allereerste vissloep. Die naam is bewust gekozen.
De Koperslagerij verrijst op een plek waar het industriële en maritieme verleden van Vlissingen nooit ver weg is. De architectuur van het project verwijst met haar robuuste en industriële uitstraling naar de voormalige scheepswerf. De naam De Zeeuw 1876 brengt die verbinding nog een stap verder: zij verwijst rechtstreeks naar het schip waarmee de scheepsbouwgeschiedenis van De Schelde begon.
Zo krijgt bouwnummer 1 bijna anderhalve eeuw later opnieuw een plaats in het Scheldekwartier.
Niet meer als houten vissloep die vanuit Vlissingen de Noordzee opvaart, maar als naam van een gebouw waarin mensen wonen en leven op de grond waar ooit haar kiel werd gelegd.
De Zeeuw 1876 is daarmee meer dan een naam. Het is een eerbetoon aan het eerste schip van De Schelde, aan het vakmanschap van de mensen die hier vanaf 1876 schepen bouwden en aan de maritieme geschiedenis die Vlissingen heeft gevormd.
Waar ooit het verhaal van De Zeeuw begon, wordt vandaag opnieuw gebouwd aan de toekomst.